One day… besloot een mug zich weg te stoppen in een stronk appelhout, daar de wintertemperatuur steeds nadrukkelijker de thermometer aan de buitenmuur begon te bevangen. Een stille dood ging het worden, één van honger en dorst, maar alles liever dan de kou. Na een dag of twee, al half in een coma, luisterend naar de wind, voelde de mug zich zweverig worden. Zo voor heel even leek het alsof alles vloog, tot het stuk hout met een harde klap tegen de koperen ketel aanbotste. Niet wetend welk avontuur haar te wachten stond, hield de mug zich angstvallig vast aan haar laatste schuilplaats. Niet veel later voelde ze een behaagelijke warmte over haar heen gaan. Zelfs haar oude, versleten vleugels kregen zin om nog eens op pad te gaan. Vrolijk zoemend verkende de mug haar nieuwe omgeving, half dronken van euforie. Tot het vredig tafereel verstoord werd door een zoete doordringende geur. De onweerstaanbare geur van mensenbloed. Wie had dat nog kunnen denken, dacht de mug, dat ik dit nog mag meemaken. Fout gedacht natuuurlijk…
De mug die door de zeemzoute geur van mensenbloed blind van verlangen werd, plaatste zich op de eerste en beste arm om te zuigen en te smaken, lichtjes kreunend van genot. Maar nog geen twee seconden later volgende een klap. Een geluid dat door heel het huis ging.
De jonge man stelde zich recht, nam de platgewalste mug vast aan zijn vleugel, opende de houtkachel en verklaarde luidop: “En nu cremeer ik de laatste mug van het seizoen!” Waarop de mug verdween in de vuurzee.